nou’s willen zeggen . . .
Haastig, opgewonden, had-ie zich, voor den afloop der vergadering, bij de bestuursleden naast zich geëxcuseerd, en was de zaal uitgeloopen naar ’t verkoelende buiten. Donkergolvend-droef, met vlagen van weemoed uit de diepblauwe nevelen, die zich wikkelden om den lijnenop-stand der dingen, zong hem de avond zijn verlangen toe. Boven de verlichte avondstad had zich de voorjaarslucht gehuifd, licht met fijne wolkjes in den dag, tot zwartblauw verdroefd, als metalen koepel angstig hoog, met klein-wiebelende vonkjes van sterren. Ook tegen de huizen óp kropen violette nevelen en de blauwgoude verten waren ineengeslonken, verteederd in ijldroeven zang. De men-schen schenen nu wel diepe weeën te dragen, waarmee zij verborgen liepen door de vreemdtooverlichte straten. Achter hunne effene gezichten was een stil weenen van verlangen, dat leek rond te sluipen over de wereld.
Nu woelde oppermachtig in het rond de weekheid van het alleenzijn, en tuimelend in den golf van verlangen, het bewustzijn vernietigd tot een wegkrimpende kleinheid van devotie, ziekelijkzwak, dreef hij ’t vaagste aanschemeren der werkdingen van zich met geprikkeld-nijdigen stoot.
Zoo liep hij de drukke stadsstraten uit, de buitenbuurt in, waar 't huis van de Pogginks was, zich ga&n latend in ’t kinderachtig willen, dat te zien, even maar, er om heen te loopen met ’t geschrei van zijn diep in zijn lichaam zich neerwringenden hartstocht. Maar dan opeens, in de straat gekomen, kilde als een fijsiek-nare beroering in hem neer bij ’t bedenken van zijn dwaasheid; hoe krankzinnig hierheen te gaan, niemand was daar toch? En bij ’t even bewustworden van zijn doen, een moment van klaarheid