kómen van onaangenaamheden en geen grondig herstel van ’t kwaad dat dreigde te beginnen . . . nee, stérk moesten ze zijn en zich door niéts laten tegenhouden, want ’t was heusch zwakheid en niets anders, dat terugschrikken voor ’t aanhooren van tegenspraak, die de echte hoogstaanden tóch niet kon hinderen ...
De mannen en vrouwen kletterden een handen en voe-ten-applaus hem toe, toen-ie uitgesproken had en met een korten driftnik van eens te hebben gezegd wat noodig was, weer ging zitten. Toen had Johan z’n partijgenoot aangezien, en hij kon zich niet verzetten tegen ’t minachtend geglinster van z’n oogen, koortsig van nijpende sarcasme-be woge nheid.
O, die krankzinnige menschen, razend waren ze, blind en van hout, ze wisten niéts en voelden niéts of logen! zij predikten maar van sterk zijn elke vergadering nieuw, en in elk orgaantje, maar leken allemaal harlekijnen aan wie de menschenonmacht eens gevoeld had! Zou niet één bij hen allen zijn, die een zwakheid beging en daarmee weten moest, dat alle verstandelijke kracht nietig is? Hij had nu kunnen aplaudisseeren en kermde toch zoo van verlangen, wie hoorde dat? wie van die allen die de hui-ver-zwarte leegte wist achter z’n opgeschroefde kracht? Sterk zijn, toé maar, je bedwingen, vooruit dan, ’t kèn wel, hahal ogod, née, née, zóó kon-ie niet meer denken, dat kon-ie niet meer hooren, hij wou wég van hier, dat deed te veel pijn! Hij wou alleen zijn, het was zoo leeg, zoo leeg, zoo veel te nietig om je leven mee te vullen, dkt was het negeeren van ’t innigst menschelijke, dat die menschen ’t kleine noemden, dat je bedwingen moest . . . Betty, ja, ze had wel gelijk ... o, hoe graag zou-ie ’t ’r