naar zijn ongewone eenzaamheid, waar geen gerucht van z’n arbeid meer leven kon.
Zoo ging hij "nog een laatstee avond naar vergadering, door aansporing van Annie en den onontkoombaren drang van z’n partij-omgeving, maar met, vóór ’t binnengaan van *t gebouwtje al, een tegenzin in den toon der te bespreken dingen. En tusschen al die kennissen in, die een kwartier vóór den begintijd over niets dan vereenigingszaken gesproken hadden, was een lichte spot in hem komen glimlachen om ’t koddig nietiglijkende van hun opwindingen en gebaren.
Daar, vóór de groene bestuurstafel, zaten al die moderne mannen en vrouwen bijeen en het was of zij allen hadden de schoonheid van saamafgelijnde beginselen voor heel hun leven. Hun bestaan was forsch en beslist, streng tegenover hun zwakheden, en hun woorden daarover droegen den zwaren kiem der overtuiging-voor-goéd. O ja, ze waren allemaal sterke menschen, koelsterke menschen tegenover de dwaze fictie, waar ze een hoofdnikje voor hadden van wat is dat nou . . . loop naar de pomp ... wij weten beter ... wij zullen daar nou eris ’n eind an make. O, ja, zoo had-ie ook gedacht, ’t was toch zoo mooi geweest. . . en nou, nou, dat kleine nietige, het kwam even in ’m aan . . . en het bleef, zette zich neer, als een bacil en vrat rond . . . o, ze waren allemaal vriendelijk voor ’m nietwaar, nou, geen wonder ook, haha, hij was een flinke kerel, hij deed veel voor de Beweging . . . Maar o, god . . . daar, daar, achter z’n voorhoofd, en achter z’n oogen, daar wisten ze nou niks, daar zagen ze nou niet; zoo bekeken ze elkaar en spraken en gingen op en neer en wisten niets, niets . . . Zagen ze ’t hijgen achter z’n kleeren? Ja, spreekt maar, brave lui en schrijft maar, en oordeelt maar, morgen, over-