z’ n leven was dan vergaderingen?
Hij deed langzaam nu z’n jas uit, bracht die weg en z’n hoed, zag Annie nog even zwijgend aan, begon dan stil tegen haar te wrokken. Gerard bleef zwijgen. Maar Annie sprak door, beginnend over de agenda van de bestuürs- . . . wist-ie wel, ja? over de colportage niet? omdat-ie gesproken had over de vrouwen . . . dat ze weer colpor-teeren moesten . , .
Hij bromde z’n ja en knikte, maar zag ’r niet aan . . . trappen kon-ie haar om ’r gepraat ... ze dacht dus dat-ie daar altijd ooren naar had . . . dat je nooit iets kon hinderen, zóó dat 't niet mogelijk was daaraan te denken . . . Hoe kwam ’t dat-ie ’r onuitstaanbaar vond, béte, femelend, fanatiek ?
Hij at maar gauw iets om verder vragen te ontwijken, ging dan heen, naar z’n kamertje, vergat z’n brieven te schrijven, kon ook niets meer lezen; vanavond was alle partijleven hinderlijk, antipathiek, dor.
Hij wou alleen zijn, alleen met zichzelve, eindelijk eens; niéts, niéts wou-ie binnenlaten in z’n aandachtsruimte dan z’n stille, rijke, schreiende verlangen . . .
III.
Hij had nu in zijn prikkelbaarheid den allereersten breuk gestooten in den vasten aaneenbouw van zijn openbare leven, en door de hindernis daarvan, wijl ’t hem als een verwaarloosde tusschengeleding van zijn werk werd, verbitterde hem meer en meer de dwang tot voortgaan, nu hij voelde zich op te moeten sluiten in de alleenheid van zijn nieuw-heftige emotie.