achtig liep-ie verder, bang opzijgaand naar achter op de trottoir, tot-ie bij huis was. Zij zaten met avondeten op hem te wachten, Annie en Gerard, die al een paar weken solied was. Circulaires, brochures, kranten zwierven op tafel. Hij zei goeienavond, en zag voor z’n bordje een paar papieren liggen; toen driftte verzet in ’m, z’n gezicht trok saam van de beheerschingspijn, ’t niet kunnen zeggen aan hun ... o gód . . . neé, neé, niet aan tafel gaan . . . hij kon nou niet lezen, niet eten, niet spreken . . . neé, neé, neé!
„Maak je voort?” vroeg Annie en las verder. Maar Gerard, die over twee stoelen te rooken lag, had naar z’n gezicht gezien, dan snel z’n hoofd afgekeerd. Johan was even blijven staan voor ’t raam, had ’t gordijn met één hand weggetrokken, om ongezien te kunnen dralen met ’t aan gaan zitten; met z’n hoofd tusschen ’t gordijn en *t raam in stond-ie op z’n lippen te bijten van ellendige onbeslotenheid. Hij wou wel wèg, wèg, maar waarheen, nergens zou-ie toch tevreden zijn, z’n geslagenheid zou 'm martelen blijven overal.
„Maak je voort?” hoorde-ie Annie herhalen. „Toe nou Johan, we hebben expres op je gewacht, en je moet ook nog aan Hendriks schrijven over de klok van de vergadering van Maandag.”
Hij merkte, hoe zijn pijnkropping haar woorden afstiet met walging — op jullie gewacht . . . vergadering . . . vergadering . . . Voor ’t eerst vond-ie ’t vreeselijk dat ze alles van zijn levensverdeeling afwist, de uren, waarop-ie weg moest en waarheen, de brieven die-ie te schrijven had en de te behandelen onderwerpen — vergadering, vergadering, o gód, dacht ze soms, dat er niks anders in