rijen heen, de lucht met geruchtigverschuivende, merkbaar gierende fronsingen behangen.
Johan liep met gebogen hoofd de straat over: z’n keelruimte was dicht — moe-schor van verdriethijgingen, en zoo zwaardroef hing z’n hoofd, dat-ie niet kon denken dan aan z’n aandreigend smartevoelen, dat kwam nu zacht, bij ’t wijken der verwarring, donker in hem binnen te sluipen. In zijn hoofd perste het wringend-ellendige zich saam, tot ’t zich te klitten scheen dicht achter z’n oogen, die moê, neergedrukt, zich wel half te sluiten schenen, zoo heet voelden ze aan en hij ademde telkens diep op, zoo matte hem af de zware massa die er voor z’n keel was geschoven. Dat-ie nou naar huis moest, bedacht-ie, toen-ie dich-terbijkwam, kon-ie maar wegblijven, de bekende dingen leken walgelijk nu, ze zouden hard-koud verwonderd staan om zijn stille verdokenheid. Moèst-ie naar huis? Zou-ie niet de andere kant opgaan, de stad doorloopen of er omheen ? en niet naar huis, niet naar Annie, naar Gerard; nee, nee, o god nee, schrikkelijk nou stemmen te moeten hooren die een gewonen toon droegen, een koelte van alledaagsche dingen zouden smijten tegen z’n nat-heete ontroering . . . afschuwelijk, niet naar huis gaan . . . maar wat dan . . . wegloopen een heel eind, buiten . . . nee, hij moest toch thuis komen, nü nog maar geen gekke dingen doen . . . nee, naar huis gaan maar, ze zouen ’m lastig vallen met vragen, hij was zoo’n man van orde . . . ze zouen ’m nog feller hinderen strak met vragen . . . . ring! ring! ho!
Achteruitspringend schrok-ie op voor ’t geschreeuw van den trambestuurder, die ’m een vloek na toornde; vlak vóór de tram was-ie op de rails blijven voortgaan. Zenuw