't licht in vervloeking van dood. En in zijn diepere alleenheid leed hij den angst uit voor het einde: zij, lachend over alles heen, kon zijn verzwegen martel niet bereiken, hem wanend haar gelijke in kracht van alles aanvaardende leefvreugde.
In zijn fijne gebaarloosheid zag hij maar even op, toen Johan hem groeten kwam, drukte zijn hand, zacht terugzeggend zijn „adieu”, stond dan langzaam op.
Een trilling doorschokte Johan, toen hij Betty’s hand drukte. Hij kuchte een kier door zijn zenuwen omsnoerde geluid om zijn groetwoorden te zeggen, nu ze in alle begeerlijkheid van haar gracieus-flinke gestalte vóór hem stond, de grijze oogen onder de langzachte wimpers neerziend naar zijn wringende bewogenheid. „Je komt nog wel even an, hè? zei ze kalm-gedwongen.
„Jawel,” zei-ie en ging gauw de trap af, terwijl Herman voor hem opentrok.
Buiten, als de eerste verwarring zich ontsponnen had, was er dadelijk een spijt, dat-ie haar met handdruk of oogen geen wenk had gegeven. Wat leek ’t nou niet begeerlijk, even die broosblanke hand te mogen drukken, altijd voornaam koel als van een heel fijn maaksel of even ’n oogwenk met haar te mogen wisselen, een vertrouwelijkheid met zoo’n vrouw! Nu was alles droef-moe in hem verzakt, toen-ie naar huis liep, de drukke straat over onder de kilgrauwe, regendreigende lucht, waar de wolken helderdons en plokkig-rookzwart in lagen over elkaar heen driftten en vaneenscheurden. Nu en dan blauwde, koelfrisch, een plekje hemel bloot met een enkele ster tusschen afgescheurde wattekanten; dan dadelijk zeilden vlosdonkere roetdoeken er weer over, stond tot over de beide huizen-