denken, en zij nikte terug; Herman lette daar niet op, ze waren goeie maatjes, die twee. Nu zat hij langs haar heen te kijken, zoodat kleuren en lijnen van haar wezen binnen zijn gezicht bewogen, terwijl ze de kopjes stond uit te schikken op de tafel. Zij deed haar gewone vraagjes van veel suiker of melk, en dat zong alles hoogzilverig door zijn ziel van dankbare vreugde om ’t verbeelde bezit alleen van die prachtig-lieve artiestenziel, met, in de huiskamer, zoo de zachte ommegang van haar kleingoddelijke vrouw-zijn.
Zij zaten nu met hun drieën om de tafel te drinken: Betty presenteerde gebak en zij praatten nog even in de prettig-modern-donkertoonige omrustiging van ’t vertrek. Toen hief Herman even z’n hoofd naar Betty op en: „Heb je nou al alles verzorgd kind?’' vroeg~ie in zich opeens herinneren dat nog te moeten vragen, „voor de reis ?” zei-ie, en dan, zich richtend schuin naar hem: „o, hemel, heb je d’r Johan nog niks van verteld?”
„God née”, ze ze, Johan aanziend met een lichte bewogenheid. Zij voelde den hinder van dit te moeten zeggen, nu ze alles zóó zeker meende te weten. „Dat heb ik je nog niet verteld, hè?”
„Wat dan,” vroeg-ie, nerveus van haar afwachtend kijken en 't opgemerkte, niet te onderdrukken dralen.
„Dat Herman naar 't Gooi gaat, Donderdag, hij zou toch éérst de volgende maand pas gaan?”
Een lichtte verwarring beangstte zijn doen van de teleurstelling, die-ie klemmend aan voelde dreigen.
„Naar 't Gooi :” zei-ie, zich draaiend met ’n paar hoofdbewegingen van haar naar Herman, als moeite doend om zich te herinneren, „oja, je zou naar Bussum gaan niet? voor 's weer wat öp te knappen, ja, ja, nou . .. en ga je