beven. Hij dacht niet aan Herman en niet aan het gesprek, zij wou ’m, ze wou ’m, dat was genoeg. Het jubileerde in hem rond, dicht-heet, een vreugde die drong binnen tegen de wanden van zijn lichaam als om er uit te bersten. O, wat gaf-ie om alles, om de heele wereld, morgen zou-ie weeromkomen, en overmorgen, en met haar praten immers en stoeien en dicht bij ’r zijn. Dat zou-ie toch hebben, dat kon niemand ’m afnemen. O, wat leken de komende dingen mooi . . . god, god, het was om te dansen, om te lachen, al maar te lachen en te dansen de kamer rond. Dat gaf nou wel niks, maar ze was mooi ... o wat mooi . . . ’n vrouw . . . wat is ’n vrouw een prachtig ding . . . had-ie daar nooit aan gedacht? Ja, toch wel, maar niet zóó, niet zoo als nou . . . ’n vrouw is een heerlijkheid . . . ’n geluk . . . hoe kun je nog leelijke dingen in je leven hebben met zoo’n vrouw bij je, al maar bij je ... ’t is om te schreeuwen als je er aan denkt. Wacht nou, nou kalm blijven, daar komt ze weer, ’n blaadje met kopjes, lief . . . daar is ze weer ... ja ik hèb je lièf . . . zongen z’n gedachten . . . jaa ... ik wil je zachjes aaien, paaien, over je wangen, over je haar, over je lange oogharen . . . haha ... ik moet vreeselijk lachen ... er is nooit zoo’n heftige blijdschap voor éen enkel ding in m’n leven geweest ... ik zal je ook drukken dicht tegen me aan . . . dól, dól, en dan weer zachjes toespreken ... en dan weer heftig ... en dan weer lief, lief, voorzichtig-zachtjes . . . wat ruischen die kleeren van zoo’n vrouw . . . wat is dat een waai van weelde, als ze binnenkomt, gód-gód hoe is het mogelijk, dat je kunt wennen aan zoo iets in je huis, verbeel je, wénnen . . .
Hij had haar toegenikt bij ’t binnenkomen, zonder na-