voelde zij een loswrikking van juichenden hartstocht in zich naar zijn jeugd. Zij dacht aan Herman, zijn zwakke lichaam, altijd abnormaal, bijna nooit immers waren zij volop jong geweest. Ja, je dacht er niet altijd over, ’t was ook niet ’t eenigste, dat je noodig had . . . maar een jonge vrouw had toch haar eischen, wou toch ’s in de armen genomen . . . waarom jezelf dat niet bekennen? onzin, ’t is zoo . . . Herman is goed en lief . . . maar god, god, wat kost *t een moeite je koel te houden tegenover een frissche jonge man, die je sympathiek is, en je wil. Toen dacht zij een enkel moment, zich gaan latend naar de diepere engere ruimte van het verbeelden, daar waar nooit binnengaat het wil-verstand — als in een grot waar hangen ingegrift hardere levensdingen — alleen de wijzen mogen lezen, wien al de leegte van ’t bestaan door-huiverd —: als hij nu . . . dood ging, Herman ... ’t kón toch, hij was zoo zwak, moest nu alweer gauw rust gaan nemen een heelen tijd — dan stond ze daar, rillend in alleenheid en Johan zou blijven . . . Maar plots zag zij Herman’s gezicht, toen hij wat zei, doorschijnendbleek in de dunne zwartbruine ombaarding, hulpbehoevend ... o god, nee, dacht ze met teederheid, nee, niet zóó denken, niet dat leelijke, niet dat vreeselijke, blijf maar leven, ik zal je wel verzorgen, goeie zachte jonge, ’k zal me wel weer sterk maken, ’t móet toch . . . En zij had nog een paar maal de ontmoeting van Johan’s verborgen begeerteblik met haar coquette kijken, waarin zij dacht aan zijn frissche jeugd alleen, niet meer aan Herman’s dood-kunnen gaan. Zij lachte alleen, zonder macht tot verzet terug, voelend zijn branden als een heerlijkheid, vreemd, verboden. Maar telkens dwong zij ’t weer neer, geweldig, met opperste