pluchebekleedsel van z’n massieve, straklijnige mahoniehouten leunstoel zitten, zei nu en dan een enkel woord van instemming met Johan’s betoog. Hij had zijn vrouw nooit principes willen opdringen; was, na vergeefs bescheiden pogen haar tot z’n arbeid te brengen, tevreden gebleven met haar liefde. Zij wist weinig van z’n partijwerk, ging haar eigen weg, zonder minste verkoeling van een der twee, alleen teneinde wat te rustig voor haar sterk-woelenden levenswil.
Johan ging verder met haar, sprak over artiesten die hun kunst gaven voor de gemeenschap, maar ook onmiddellijk in dienst der hervorming. Zij hield nog vol daartegen te chargeeren, noemde werk dat alle kunstwaarde verloren had door den socialistischen tendenz. Maar hij liet haar niet los, gelukkig zóó dicht bij de overwinning te zijn, in een tot ’t hoogste opdrijven van zijn kunnen haar vragend over de socialistische journalistieke teekenaars, waarvan sommige groote artiesten waren. En over Steinlen — wat dacht zij van hem? Hij was overtuigd Marxist. Zij zou maar oordeelen, dat was alles in haar vak. En zij lachte, lachte, kon zich niet meer verdedigen, wijl ’t al bijna met hem eens vóór den aanvang van hun stoeiend gesprek. Zij had een voornemen, haar geïsoleerde gevoelsleven eens te gaan doorstevigen met dat wéten, voelend al de attractie van de wisseling als ’t geluk van een groote metamorfoze, stil-weg, zonder toch het luchtig genot te willen missen, van ’t zich niet openlijk gewonnen geven. Hij lachte nu ook, in een opperste huivergeluk om haar in het lachen zich gewonnen tóonen.
Toen zag zij het weer, zijn brandend naar haar dóórdringen, machteloos dat terug te houden. En een oogenblik