deed? ’n Frissche goeie jongen, toch geen nul; maar nee, wat ging ze daar nou voor moeilijkheden in haar hoofd halen. Dadelijk, in ’t gedachten-voortdrijven der gespreks-dingen, moest ze zich wel bedwingen, en in een nog even snel denken aan Herman, meende ze al af te maken — nee, nee, geen truucjes tegen over hèm.
„Ja,” zei ze, „wie z’n werk doet voor de gemeenschap zooals ik, die hoeft aan jullie arbeid geen deel te nemen, ook al zoü-ie daarmee sympathiseeren, zoo denk ik ’r nou over.” ,,’t Is gemakkelijk,” zei Johan, „maar je hebt ’t lekker mis, Betty, dat valt je niet mee hè? Al wie zich onttrekt aan dat groote werk — waar iedereen, beslist iedereen, zonder één enkele uitzondering — belang bij heeft, die is zondig, jazeker, die is zondig; geloof me, ’t is erg mooi, wat jij doet, dat respecteeren we ook wel; maar d’r is daarom nog wel véél meer voor jou te doen, als je ’s beginnen wou met óns werk niet te onderschatten, maar d’r ’s héél serieus over na te denken.”
Hij wond zich op, al gistender; zacht begonnen z’n oogen naar haar te branden. Maar naast die passie, om door z’n ongewone heftigheid haar aandacht warm bij zich te houden, voelde-ie ook weer langzaam aangolven de democratische ontroering, niet fèl, maar breed, een zielesterk willen naar mogelijk-geweten vergelukkiging van ’t wijde schreien der getrapten.
Maar ook, steeds, weenden gelukkige snikjes van verlangen er doorheen, dat vaster en reëeler ervan groeide. Zijn begeerte verheftigde zijn overtuigingsemotie en die zelve, door de verinniging van de aandacht — dreef weer zijn waarneming tot een branding van verlangen naar haar gratie. Poggink bleef met zijn zwakke lichaam tegen ’t grijze