434
nek breken over mijn bouwsel. En elk verkleinend gepraat over zelf-ingenomenheid schud ik met trotsche kracht van mij af, wijl 't zoo voos, zoo nietig is.
Het samenstel van mijn diepste natuur bergt alle aandoeningen, van de teederste tot de machtigste. Ik sta in dien feilen trots niet altijd als 'n eik hoog uitgegroeid, maar ook als riet mee-fluisterend met de avondgeheimen van den wind, zacht en zwierend.
Zal men mij alleen willen voorstellen als de overmachtige reuze-eik, ongenaakbaar in trotsche kracht, ik zal dan juist sidderen als riet. Zal men mij teeder vinden en fluisterend, ik zal staan, onbewogen, met de roerlooze macht van 'n grootsch boomschepsel.
Mijn leven is soms zoo broos als 'n ijsbloem, met 'n warmen adem verkwijnend, niet vrouw !
O Florence, ik weet, ik weet hoe ik mij nu bloot geef voor mijn vijanden en kritiek-slachtoffers. Ze zullen er alles tegen mij uit kunnen distilleeren, mijn trots, mijn waan, mijn hooghartigheid, mijn grootspraak, mij'n overschatting en zooveel meer.
Maar ik beschater ze fel, allen, allen.
Jij, jij liefste weet dat dit alles in mij leeft met de allerhoogste innigheid en echtheid, daarom spreek ik mij uit, zonder omwegen ■en zelfmisleidende verkleining van eigen kracht. Ik begrijp al de vele wrokjes, wrokken, voozen nijd en afgunst, wijl ze in ons ieder leven, bij den een sterker en langduriger dan bij den ander.
Die beweert er gehéél zonder te zijn, is een.. onmondige.
Maar er zijn er die hun nijdassigheid en wrokkigen afgunst parafrazeerend kunnen omslingeren met moreele gierlandes en leege vernuftsrhetorika.
Een bijt er de scherpe kantjes af; 'n ander valt plomp en onbehouwen door de mand, zoodat ieder dadelijk ziet, hoe fel de afgunst wrokt en gift, maar kantjes afbijtend, plomp, sluw of verraderlijk, ze is er als 'n zeer menschelijke faktor van even, waar elk werker mee rekening te houden heeft, ook in zich zelf.