433
niet, in dat korte leven alles kan geven, geen Kosmos in de literaire kunst kan bouwen.
Maar wat ik geef aan tragiek en epiek moet op dat plan van universeel leven uitgebeeld zijn.
Elk werk op-zich-zelf zal brokken van dat titanische leven koncipieeren, in enkeling en groepen, in natuurplastiek, stads-plastiek en tragiek.
Ik ben nü begonnen en ik zal voortzetten tot ik niet meer kan. — Het zal in mijn stijl, mijn visie, mijn realiteits-zien opgebouwd zijn. Met gebreken, veel gebreken natuurlijk. — Rembrandt heeft ze veel en hevig, Beethoven heeft ze. Zou ik er zonder moeten zijn ?
De vraag is of 't allerhoogste voor mènschen bereikbaar er méde in bereikt wordt.
Nog 'n bekentenis Florence !
Neem 't vooral in z'n verband met al 't ander geuite.
Ik voel me niet als 'n werker met wankelingen en wisselend besef van zou-je-'t-wel, zou-je-'t-niet kunnen, maar ik voel me meer werken als 'n vergeestelijkte natuurwet. Ik voel in mij die honderd gestalten van leven, en ik voel dat ik ze tot éénheid zal brengen. En elk groot en titanisch scheppings-gevoel krijgt ook van zelf zijn beeldende w'tówgskracht van 't Leven zelf, anders zou 't niemand in je voelen, en je zelf ook niet.
Want waarméé voel je 't ? 't Een groeit niet zonder 't ander.
Lyriek, tragiek, epiek, dat zijn de hoofdbanen waarlangs mijn werk zal gaan. —
De psychologie, 't visioen, de analyse, de plastiek werken mee in den monumentalen opbouw, geheel spontaan.
Als de wil, de opperste drang van de scheppende ziel, en de schoonheidsbegeerte zóó beeft in je handen, je ziel, dat je aan 't werk moét, dan manifesteert zich van zélf de diepste levenskern, zóó, zóó en niet anders. —
Elke moedwillige of jaloersche afbreking zal zich-zelf den
28