432
mensch blijft staan pal op de plek waar de bloemenstaf gerankt heeft, 'n Andere realiteit !
't Leven heeft zich omgewisseld. O ! 't Leven is raadselachtig en heerlijk van verscheidenheid.
Zie Florence, maanden bestudeer ik soms elk techniek-detail van 'n industrie, 'n werkgroep. Maar aldoor toch met onder-grondschen doorgloei van beroering en aandoening.
Maanden daarna leef ik met m'n brandenden adem vlak boven den opbouw van psychisch leven, leven van mannen, vrouwen, meisjes, kindren uit alle kringen en klassen.
Ik doordring alle gedachtesferen, schéppend, en mijn studie en empirie staat in den vloeienden, omspelenden glans van het dadelijke leven.
Daaruit moet mijn epos der menschheidstragedie groeien.
Nu weet je waar ik heen wil met mijn scheppingswerk.
't Zal, en kan nooit mislukken, als ik leven blijf, wijl het te heilig en te hevig in me leeft.
Ik heb nog niets scheppend geschreven Florence, dan nu dat eerste werk waarin ik bezig ben, en dat door mijn ziekte onderbroken is.
En toch voel ik dat het geuit zal worden.
De wereldontroering der menschheid moet er doorheen gaan, en telkens 'n paar schepsels als groote gewrochten van beeldend leven opstaan in ieder boek. —
Dat epos mag niet zijn als 'n arke, waar, in zondvloedsche onttakeling, plots alles is saamgebracht wat bijeen te groe-peeren viel, maar 't moet als 'n Kosmos zijn op-zich־zelf, één type bergend van ieder sóórt leven.
Is dat te veel ? Zit er die woeste spanning en drang naar 't buitengewone weer in, die in mijn nachtwerken van vroeger mij aan den dood gebracht heeft ?
Neen, néén liefste, want ik weet zelf dat niemand, ook ik