428
heid voor minder dan 'n bord linzen uit sluwe handen futselen, 't Zijn droomers, innig-meditatieve naturen.
Zoo weinig zegt 't uiterlijk van oogenwaas en gezicht.
Precies zoo met de pathetische tragiek der visschers-interieurs. Alle elementen zijn er zoo schijnbaar om oppervlakkig te zeggen, poëtische wereld van aandoenlijke eenvoud, onbewusteromantiek.
Treed nader, leef in, begrijp, voel, ontleedt, bouw weer op.. en je ziet dat de wazige oogen geen spiegelbeeld van innerlijk-echte droomerij waren.
't Is er hard, stroef, ongevoelig, streng en vol heete berekeningsdrift.
Dat alles zag ik leven in m'n smullende visscherskindertjes, de jonge hebzucht, de jonge naieve sluwheid, nog getemperd door kinderlijke onbeholpenheid.
II.
Gisteren Florence, heb ik voor 't eerst weer op 'n hobbelkar gezeten. M'n ribben voelde ik als kraken, en m'n maag naar m'n hersens gekwakt. Je rammelt leeg, en je wordt uitgeschud als 'n zak aardappelen.
Eerst was 't me heel vreemd, maar later, 't land inrijend, proefde ik weer 't diepe genot van alles-zoo-te-doorleven. Ik werk me overal in. Ik wil levensvoeler en -begrijper van alles zijn.
Niet 't levensmysterie zoeken in moraal, in schoolwijsbegeerte, maar 't leven vatten en vasthouen en overal omscheppen in schoonheid, zoodat je ziel en je werk zélf tot 't innerlijkste en kern-eigenste van 't levensmysterie gaat behoor en.
Ik wil de natuurgeheimen leeren kennen, in mènsch en uiting. Ik verover ze kruipend op den buik bij 'n sloot, me wondend aan brandnetels ; ik wil dat om te vatten 'n goudgroene hagedis met z'n prachtkoloriet, wondermooi. Ik wil dat dier zien leven, begrijpen die miniatuur-menschenoogjes waarmee ze verbaasd kijkt.
'n Paar uur later betrap ik 'n natuurgeheim, 'n levenswet