NEGEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Vandaag liefste, heb ik bezoek gehad van leuke visschers-kindertjes, wel zes, die allemaal bij me gegeten hebben, 'n Verrukkelijk kijkje kreeg ik op dat smultroepje. Eerst doodsbe-schroomd, stamelend en schuw. Langzamerhand vielen ze bij door den jongste, den durfal, die overmoedig alles uitflapte wat 'm op de tong schoot. Toen drongen al de schaapjes over de brug. Er klonk gebabbel, geschrei, geroep, er was naieve verbazing om alles. O ! 't was prachtig van naieve zuiverheid.
Wat zetten die kinderen 'n oogen bij 't speelgoed van Aay! 't Was 'n heerlijke afleiding voor mij. Al die kindertjes, met hun bloote pootjes, roken naar de zee, zout en vreemd. Maar als schunnige schooiertjes liepen ze 'r bij. Die mooie schilderachtige strandkinderen zijn fiktieve droomerijen van pathetische naturen. Zoolang ze nu in atmosferische pracht en dichterlijke peinzerij gefigureerd worden zijn ze als kunstuiting te genieten. Maar als realiteit, als levensvisie haat en veracht ik die afschuwelijke, onechte en weeke sentimentaliteit. Ik ken 't visschersleven, ik heb 't bestudeerd, meegeleefd. Ik heb onder de eenvoudigste matrozen mijn innigste en beste vrienden die mij als 'n broer liefhebben.
Maar zoetige en plaatjes-weeke dramatiek is er niet onder hen.
Er zijn menschen met heel wazige oogen ; droomers zou je zoo zeggen op 't eerste gezicht. Je leert ze kennen.... 't blijken duitendieven en schoolmeesterstemperamenten, nuchter als 'n adresboek. Zoo zijn er facies die op 't eerste gezicht, scherp, analytisch, inhakerig-nuchter lijken, met harde, stugge, felle en klare oogen. Je leert ze kennen.. en ze laten zich hun zalig