420
Want dagen er na schater ik er om, heel lang, heel fel, heel genoeglijk. Ik kan veel van 't weeke en schijn-diepzinnige, 't ontastelijke en valsch-mystieke in Maeterlinksche en Nova-lissche essais niet uitstaan.
En toch aanbid ik zelf, de broze, subtiele en mijmervrome motieven waarover hun gedachten harp speelt, waarover hun zangrige taal heen weeft 't geluid van de stilte.
't Kloosterleven heeft in z'n zuiversten vorm iets zoo ontroerends voor mij Florence.
Ik zie 'n blank wonderzacht meisjesgezichtje achter kloosterceltralies; 'n nonnetje!
Ik kan er om schreien.
Er zijn dagen dat ik er afschuwelijk onder lijd, dat ik vervloek alle ziekelijk ascetisme, heel de burgerlijke maatschappij haat om d'r verzieking van zoo teeder, zoo fijn vrouwleven, dat ik haat 't isolement van deze döor godsdienstwaan geteisterde breinen. In mij leeft de groote lust om met titanisch bouwsel te toonen wat ontuchtigheid, verzieking daar huichelt, smuigert, broeit en gift onder 't mom van krankzinnige bigotterie.
O ! die monnikspijen, die barrevoetsgangers, die zware plooien van het van binnen grofbehaarde kleed, wat hebben ze 'n plaats in m'n smartelijkste herinnering, en hoe vreeselijk is de tragiek die ik heb zien vertafreelen in kringen van vuile monniken, walgelijke paters en waanzinnige godsdienst-zeloten.
Maar de elegische klank van 'n fluit vèr over 'n waterplas, nabij 'n dorp, 'n avondwegje draagt wonderen in mijn ziel. Ik zie plots weer 't blanke gezicht van m'n boetedoend verkwijnend nonnetje achter haar raamtralies. Er is niets dan weedom, en teederheid in me!
Lieve, lieve, wat is 't schoon, 'n échte geloofsovergave.
Zie Florence, even gaat de avondzon over 't nonnengezichtje. 't Peinst vroom. Er weeft zich 'n goudzachte glans los van haar hoofdje.
O ! 't Is zoo smartelijk ontroerend.
Ik vergeet m'n haat nu ik dat ascetische vrome hoofdje zie bidden.