419
Ik zie de schreiende sjofelheid van den man die draait, de uitgedoofde kleuren op de rok van de vrouw die met 't bakje rondgaat. En er is 'n weedom in me die me sprakeloos doet lijden, hevig lijden. Maar 't sterkst is wel dat ik van die aandoening houd.
In mij wekt 'n Kermis, 'n straatorgel, hoogelijk-geheimzinnig leven. Voor mij is 'n Kermis 'n demonische hel van groot-bang, ontzaglijk-geheimzinnig leven.
Niet alleen Böhme brengt me naar 't mystieke; 'n straatorgel met z'n wreed geween veel dadelijker en sferiger.
Dan is er een levensvoelen in mij, waarbij alle gedacht-redeneering duf en dor blijft. Wat wonderlijk diep en fijn dit voelen toch is.
Nu weet ik 't, Florence ! Er is in dat stille, gevoelsmijmeren een hoogheid van leven, zooals je 't alleen ondergaan kunt in die sfeer.
En ik lieve, die zoo breed en zwaar tragisch 't Leven groepeer in z'n epische opstanding, ik leef soms maanden, verdoken in de mystieke gevoelssfeer, in de koele schaduw van elk gedachte-ding. Al 't om mij heen gebeurende van 't dagleven staat dan vóór me in 't halflicht van 'n duisterend-kleurige akwariumgrot.
Dat noem ik voor mezelf leven in 't halfduister, 't Is de clair-obscuur van mijn fantastisch voelleven. 't Is er zoo broos en wondervol als plantengroei op 'n zeebodem.
Daarin zie ik de levensuitingen. Het zwakke, geloofszieke, godsdienstwanstaltige, 't demonische, 't bang-animistische,.... ik zie 't allemaal zacht beglansd. Ik weet, mijn Ikheid weet heel zuiver, hoe dekadent, zot, wurmstekig en voos dat holle leven van zooveel zeloten en slachtoffers van al die verweekende stelsels is. Maar toch schrei ik om dezelfde dingen waarom zij schreien als 't smartkruis ze op de gewonde schouders wordt gesmakt.
O ! 't Is om mij een wond're opstanding van geheimzinnige dingen nu ik dat alles gedenk !
Gelukkig Florence, dat 't nooit apart in mij tot uiting wil komen.