4i7
met de ziel, den geest, de opperste verbeelding, de Schoonheid, de smart, de teederheid, de verrukking, de melankolie waarover ze schrijven met woorden, woorden en nog eens woorden, met techniek en kennis wèl, maar zonder dat de goddelijke bewogenheid wordt gewekt in de ziel die naar hen luistert, wijl ze zelf niet tot in diepste kern bewogen waren.
Maar ik lijd, lijd als geen sterveling onder de ontzettende macht van mijn natuur-eigenschappen, en ik geniet, geniet als geen sterveling onder de werking van die scheppingsintuitie.
Ik houd van geen zelf-analyse als ze niet verklaart een universeele levenswet in den mensch. Maar nu toch Florence volgen nog meer bekentenissen.
Ik strijk mijn Ik niet glad voor de buitenwereld, en ik ben geen ,,klinkend metaal".
Van waar Florence, ik weet 't niet, maar ik heb soms heel-harts-tochtelijke, vreemde en prachtig-woeste neigingen, die dikwijls alleen de verbeeldingssfeer raken, weer insluimeren, maar soms óók in aktie opwoeien en zich in 'n daad belichamen.
De meesten verdwijnen onder den jubel in mij voor 't alge-meene leven. Maar ze zijn er toch tusschen den woel van zooveel anders.
Elk mensch heeft zoo iets latent. Maar in mij leven ze niet latent, maar kompleet.
'n Bepaalde vorm van werkelijkheid hoeft er maar tegen aan te stooten, en de groote neigingen staan recht op in mij, dreigen te springen.
De meeste wezens durven zich dat niet te bekennen, versmoren dien woesten schoonheidsvorm.
In mij zijn ze altijd geestelijk ! Laat ik je dat vooral zeggen Florence.
Zoo heb ik een allerdiepst huiveringsgevoel voor 't mystieke, het groot-geheimzinnige.
Daarom vind ik 't nachtleven zoo grandioos, zoo goddelijk in z'n luidloosheid en vreemd heerlijk geruisch.
27