415
Van de nacht-mystiek, 't nachtleven als alle licht gedoofd en alle kleuren gestorven zijn.
Er leeft in mij een neiging tot uitstorting, tot overgave aan alles en alles, en telkens weer treedt daartegen over een gevoel van schuwheid, een zucht naar 't stilste en eenzaamste leven.
Zie Florence, ik vertel dat nu jou, jou. Ik weet dat juist de meeste menschen, voor de buitenwereld altijd de gedachte aan konsekwentie in hun natuur, willen wekken. Maar ik schater om deze konsekwentie. Is daarin de levende, ademende mensch, met z'n hoogten en laagten, zijn verrukkingen en dwalingen, zijn passies en tuimelingen ?
Is dat de lévende mensch dien wij te zien krijgen in wijze boeken, wijsgeerige opstellen, geleerde, in stemmingsgehalte altijd konsekwentie zwaarwichtige moraalwerken ? Is dat 'n mensch, 'n lévend schepsel, stil en hevig, gelaten, vroom of zwartgallig en bitter ?
Gluurt naast hun de duivel door z'n oogappels ?
Neen, dat zijn schrijf-schepsels, geen leèf-schepsels.
Al die wezens leven op papier, niet in de brandende of schreiende ziel.
Ik voel er de dwaasheid, de groote prachtige dwaasheid, het geluksmachten niet in. Ik hoor de satyre niet vlijmen en sissen; ik zie den heerlijken hoon, den grooten hevigen haat niet laaien en vlammen. Ik hoor de liefde niet zingen, jubelen, niet zegenen en zuchten.
Ik voel er de innerlijkste bewogenheid van 't levende schepsel niet in.
Nu al weet ik Florence dat er zullen zijn onder mijn eigen geestverwanten, allemaal heel geleerd, heel geweldig-wij sgeerig, heel theoretisch-scherp, die zullen zeggen dat dit verlangen in mij nog wijst op rudimenten van felle burgerlijkheid.
Maar ik beschater hen nog feller. Want als ik denk aan de lévende menscheziel is mij alle geleerdheid plat en 'n gruwel!
Is er ooit mènschelijker stem van schoonheid geklonken dan uit den mond van dien prachtigen Paulus, toen hij van de liefde sprak ?