ACHT-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
De smarten van een zwaar geschokt zenuwgestel zijn groot.
Wanneer je alles voelt en doorleeft en je kunt niet werken om lichamelijke zwakte dan geniet je 'n voorproefje van 'n hellestraf.
Ik zie de houri's om mijn bed lachen, fijn en raadselachtig, 't Zijn de sneeuwblanke maagden van vroeger verbeeldingsleven. Ze zijn gelokt door mijn stem ; ze komen en lachen nu om mijn onmacht.
Ze verdwijnen, worden weer gelokt in den wondertuin en het gouden licht van een levenstèrker wezen ! Nu haat ik ze, die slanke maagden.
Florence, moet een mensch zooveel lijden, omdat hij het hoogste goed op aarde begeerde, begeerde met een alles over-vlammende hevigheid en hartstocht, met een alles verstillend smachten ? Dat hoogste goed dat in de Schoonheid leeft, dat zalige, verre, onbekende en toch eeuwig-nabije dat den zwerf-kring van het menschelijk geluk omsluit.
Was 't alleen 'n weedom, en voelde ik niet den rouw van de gansche menschheid in m'n ziel ? En was telkens niet, naast de hevigheid om 't begeeren, 't zachtere verlangen naar 't brooze, 't groot-teedre, de levenszoele en 't ver-neuriënde ?
Was dat niet in mij als 'n mineurzang van stil-zalig leven, in de diepte, de stilte van gepeins.
O ! kind was ik nu niet zwak, zoo zwak dat mijn lichaam siddert onder 't schrijven en als afgeranseld krimpt onder de smart-van-het hart, ik zou je laten voelen, al dieper, wat ik lijd, nu ik wil, wil scheppen, maar niet kan.