407
strofen 'n besuikerd moraaltje, de schepsels tot ,,deugd" en ,,eerbaarheid" dwingt voor de wereld.
Florence, wat kan 't leven toch in plotse schokken en vlagen van groote vreugd tegen je aanslaan. Je hebt zorg, getob, narigheid, ziekte.
Je loopt op 'n zonnigen, klaren, lichtdoorjubelden ochtend je huisje uit.
Je ziet 't groen, de boomen, 't gras, 't licht, de lucht.
En de vreugde slaat inééns tegen je aan. Je ziet werkers op 't land. Je voelt 'n prachtige schittering rond je. Je ziet kennissen groeten. Je groet met innigheid terug of 't je broers zijn. Je zoudt ze willen aanspreken, iets gelukkigs willen zeggen, iets innigs van je ziel willen meegeven.
Maar je houdt je in, uit vrees dat die menschen je toch niet begrijpen. Maar 't jubelt in je, zoo goddelijk en 't kwinkeleert in je, zoo verrukkelijk. De zon brandt tot in je ziel. 't Is er zoo licht, zoo klaar en gloeiend blij van binnen. En 't is zoo helder in de lucht. En 't blauw van den hemel is zoo diep, zoo'n zang, 'n zang van blauw! En 't gouden licht juicht zoo mee, vonkt en speelt rond je heen. En de zoelte wuift door je haren.
O ! er is 'n vreugde dan in me die me alle leed doet vergeten, 't Is om beurten vredig, zangerig, rustig-gelukkig, soms opvlammend tot feilen jubel, tot schater en geluksdrang om anderen te koesteren met m'n zonnevreugd.
Omdat ik weet lief te hebben de wereld, de menschen, de menschen vooral Florence, het leven vooral, het groote, heerlijke, vruchtdragende en bloesemende leven.
Het leven dat nu rond me geurt en zingezangt als 'n leeuwerik vér, het leven dat murmelt en ruischt als golfjesklots ; het leven dat dan weer buldert, bliksemt, onweert, en al m'n idealen en gelukken in brand laait en tot asch kooit. Het leven dat zwalpt en orkaant, 't leven dat treurt en triest, zacht kan schreien en snikken als 'n ontsteld kind, in 'n groot avondbosch verdwaald.