405
Zie kind !
Er zijn heel veel toestanden en heel veel lokalen, waarin ik als ,,meneer" niet inkom, wil ik niet als 'n komediespel plots alle natuurleven zien verminken.
Ik zorg altijd voor prachtige aanwijzingen en introdukties.
Met 'n beetje moed, 'n beetje onverschilligheid kom je 'r doorheen. En blijf je hangen dan trap je van je af.
Zus verkleedt me uitmuntend.
Ik liep er 's avonds soms zoo goed-schooierig of boers, of vis-schers of op z'n zwervers bij, dat geen sterveling me herkende, m'n eigen broer niet, als ik hem op straat even aanhield in dialekt, en wat vuur vroeg.
Daarbij is 't voor mij van 'n innige en groot schokkende ontroering zoo vlak in de woeling van gevaarlijk gespuis of zwervers te leven, te luisteren, ze dan te bestudeeren, en vooral 't mèn-schelijke in hun uitbarstingen te proeven.
Dat is simpel en echt, en heb je geen vrees, dan gaat alles meestal van 'n leien dakje.
Zie je griezeligheden, vooral in 't hartje der rapaille-buurten, dan ziè je ze maar.
Want 't groote, geheime, nachtelijke en avondlijke leven dier schepsels moet je toch tasten met de ziel, in stemming. Dat ligt niet voor je waarneemzintuigen bloot; dat moet je allerdiepst voelen met de grootste voorstellingswerking en intuitieve tragiek.
Daarmee voel je 't relief van smartelijk vrouwleven, van kinderleven, van uitvaagsel en verschoppelingen, zoo goed als van dandy's en perversen.
Kindeke, kindeke, 't is mij een goddelijke behoefte om tusschen maanden van innigst meditatief leven op diè manier er uit te springen en rond te zwerven onder hallen, in vreeselijke buurten van wrang leven, achterwijken van 'n reuzestad ; om tusschen allerlei vreemd slag menschen en volk te ademen, onverschillig of ze gloeien in ontembaarste hitte van hun driften; gramschap en levensverdoeming, smart en beestigheid, of versmuigeren in huichelarij en wreed-somber egoïsme.