404
ze, en doet hen goed. Ze vertrouwen me, en ze geven zich, omdat ook ik mij geef.
Ik neem ze dikwijls mee naar huis, zet ze soms ineens onder den gouden avondlamp, heel innig, en ik zit zoo precies bij hun voor de schouw, of ik kuier door de bloemvurige tuinen van mijn landvrienden. Ik laat ze rooken, smokkelen, leuteren, zwijgen, mokken ; ik geef ze wat van m'n beetje, en zij geven mij van hun beetje.
Ik heb op 't land 'n kerel gekend, die mij twee jaar lang, bijna iederen dag, kort of lang om zich heen zag. Hij bleef gesloten, zei stroeve, bijtende zinnetjes.
Was niet in te dringen. En 't leek 'n heel-typische vent. Eindelijk heb ik zóó 'm gepakt en zoo begrepen dat hij nu tot m'n beste landmakkers behoort en me bij m'n voornaam David aanspreekt, heel intiem en natuurlijk, alsof hij 'n familielid was.
Florence, je weet nog niet wat 'n gelukkige uren dat geeft, en hoe vol wondre verbazing je het simpele, wreede, tragische of epische leven van die soort menschen leert kennen.
Maar 't heerlijkst is voor mij dat ik gansch hun realiteit loslaat, en schep uit voorstelling en verbeelding. En nu weet ik dat ik die realiteit op een andere manier toch weer teruggeef, detail voor detail, als die verbeeldingskonceptie uitgewerkt heeft.
Als ik alles zou willen geven wat ik met m'n verbeelding, en realiteitsgrond onder me, dramatiseer en tot leven herschep, ik zou 'n bestaan van duizend jaar noodig hebben.
Ik sta ook stom van 't denkbeeld ״op" zijn, herhaling of verlegen zitten om ,,stof".
Ik wou wel dat 'n honderd schrijvers wat van mij overnamen.
Ik zou 'n cyklus kunnen geven zooals er geen gegeven is.
Want de levenswerkingen zijn overal even machtig, in welk brok samenleving je je met je ziel en je geest instort.
Je onrust lieve, over m'n avontuurlijke vermommingstochten, zul je toch moeten laten verdwijnen. Want ben je eenmaal hier, dan zul je begrijpen dat 't noodig is.