403
geweldigsten voorhamer te zwaaien op het groote aanbeeld met z'n demonischen staalklank. En als je longen gehard zijn kunnen ze ademen in den rooden gloedmist van het vulkanische leven om je heen. Laat je gezicht er roetig bewalmen, je handen verbeten werken in de kookende vochten, — je oogen schitteren toch als levende sterren, en je ziel hijgt van scheppingsgenot.
III.
En dat alles onderga je, door te leven onder gewone menschen, van allerlei slag.
Je ziet hun smart, hun vreugd, hun dronkenschap, hun dier-zijn en hun soms vreemde verteedering. Je doorleeft het, en je verbeelding gebruikt het later als levende materie.
Als je in den gloed van den vulkaan staat te smeden, en om je heen stormt het vuur weg, gloeit de zwavel, dan komt dat gewone leven, detail voor detail in de kleur van het gebeuren naar je toe, en je smeedt het mee onder de rythmische dreuningen van je hamer.
Ieder dreun is 'n leven, en ieder vonkspuwing 'n verlichte menschesprook.
Soms Florence, komt er 'n tinteling van schroom in me, als ik zoo het intieme leven van gaarde en hof, schuit en krot, salon en keuken meemaak.
Maar dan zeg ik me zelf goed waarom ik 't doe, dat mijn groote liefde van 't leven mij er als werker en als mensch heeft heengestuurd, dat die drang in mij leeft, onverwoestbaar, en dat ik er toch nooit anders kom dan als mènsch, met al m'n ontvankelijkheid voor lot en leven.
Bovendien lieve, sta ik met al m'n visschers, boeren, land-werkers, landloopers, zwervers, stroopers op 'n goeden voet. Ik vlei niet, maar ik leef met ze mee, onversaagd. Dat voelen