404
Ik heb met diep welbehagen en innig-rustig gebouwd, mijn zielen 't leven ingeblazen.
Ik heb met verrukking de droefste en juichendste afmosfeer om mijn menschen heengeweven.
Ik heb de natuur, de straat, de stad, fabriek en krot met de onbewogene herinnering doorleefd.
O ! Het hevigste verdriet in en om mij zal me voor m'n werk niet meer neerslaan ! Dat heb ik vandaag gevoeld. Hoe kan 'n schepsel met zooveel heftige smart, zoo diep een weedom zich over zijn stil kreunen heensleepen en werken, wérken.
Is er een demon in mij die mij splitst als ik wérken moet, mij staalt, van marmer maakt, en al 't verdriet, de weedom in mij stolt tot 'n onbewogen monument van hevigst leven ? Is er een demon die mij afscheurt van den lijdenden, smachten-den, hevig-ontroerden mensch in mij; den mensch die niet voort kan, en al z'n diepe wereldwee verbergt heel diep in z'n ziel, tot 't ergens eruit geslingerd moet, als 'n dramatisch figuur, 'n schepping, 'n karakter, 'n tafreel, 'n natuurzang ?
O ! 't is 'n mysterie. Dwars door mijn lijden heb ik vandaag gewerkt. Mijn lijden was mij een smachtende verrukking. Ik kan er dieper door ingriffen, teekenen, uithouwen.
lederen demonischen zet van 't leven gaf ik terug, alsof de duivel zélf in mij zat te schateren of worstelen met gereedschap van magische werking. Alsof hij mij als lichaam genomen had voor zijn helsche macht.
Ik heb in de koorts van 't werk geen smart gevoeld, geen weedom, geen verlangen.
Ik ben er in, ongenaakbaar voor ieder wezen, en ieder aandoening die niet tot 't kristalklare leven van mijn eigen, diep-eigen visie behoort.