397
Ben ik niet een der smartelijkste voelers onder de menschen, nu al dat leed mij doordringt en dat ik toch blijf bestaan, blijf ademen, denken, voelen, peinzen ?
't Is weer avond Florence, nu ik dit schrijf.
De Zee ruischt achter m'n balkon. Heel zacht, heel zacht weent ze uit mijn droefnis.
De nacht is doorzoeld van een zomersch heimwee.
De sterren zien, als gouden fonkeloogen in 't heelal. O! wat 'n azuur geheim daar !
Wat mijn hart toch nog meer doet dan kloppen, kloppen.
Wist ik dat mijn ziel nog zóó weer schreien kon ? O ! dat de heftige smart me heelemaal kon verpletteren ; dat er niets, niets van me bleef, geen heugenis en geen herinneren.
Florence, mijn verlangen leeft nu in den nacht, gaat geheimvol en stil open als de kelk van 'n nachtbloeier.
Arme, arme vriend!
III.
Weer wat dagen verder, maar geen moment dat het doodsgezicht van mijn dokter voor mijn oogen wijkt!
Lieve, innige kerel!
O kon dat stille snikken van m'n ziel bedaren !
Maar 't zal, 't moét onderdrukt worden.
IV.
Florence, vandaag heb ik m'n bevende handen gedwongen te werken, wijl mijn geest wil, en mijn lichaam, als gereedschap te gehoorzamen heeft.
En nu ik gewerkt heb, is de benauwing en de smart wat geweken, is weer alles ruimer en breeder om me heen geworden.
Ik heb onder 't scheppen 'n tweede leven gehad, wèg uit mijn eigen bestaan.