396
Al m'n werk-objektiviteit is weg, en 't leven doorsiddert me weer in angst en beve. Florence, vrouw, kom toch ! Arme, arme vriend !
0 ik snik, ik snik, ik kan je 't niet zeggen'
Eergisteren avond liefste kreeg ik zijn doodsbericht.
Arme vriend.
Had ik 't voor drie maanden gehoord, ik zou er onder bezwijmd zijn.
Nu heb ik den dag in stomme zielebiecht doorgebracht, en me zelf afgevraagd of ik niet te veel van hem gevergd heb.
Is er over 't mysterie van den dood lang te denken ?
Ik heb 't vroeger, lang,'heel lang gedaan. Ik dacht kalm te zullen blijven als ik 't ging hooren.
En toch Florence, en toch, hoe hevig schokte me dat plotse besef: hij is er niet meer. Dat stille, zwijgende herinneringsbeeld, dat prachtige rabbynengezicht er nu als doodenmasker voor in de plaats.
O God Florence, kom, kom ! Ik stik !
Moet ik nu 't vreeselijke leed van mijn ziekte dragen, en altijd vóór me den schim van mijn jongen dokter, mijn vriend ?
O God Florence, daar komt weer in vollen zielezang dat eindelooze smachten in me zingen, naar dat opperste geluk, altijd, altijd als ik van heftige smart doorscheurd krampsidder.
Die zelfde zielezang, al in mij als knaapje, als ik hoog uit 't venster, op m'n rug liggend, den schemerenden hemel inkeek, en overal om mij heen voelde eindeloosheid van lucht en verte. Dan zong er al 'n eindelooze weedom in me op, dat smachten, smachten naar iets allerhoogst, waarin ik kon wègvloeien, wat me meenam, mij en de menschen om me.
Daar is 't nu weer, als was ik 'n knaapje !
Arme vriend !