!4
van iedere hooge kunst, — dan is hij voor mij een prul als lévend artist.
Die ontroering kon nooit door ,,waarnemingskunst" opgewekt worden.
Want de enkele observatiekunstenaar kent de diepste roerselen en worteling van het leven niet. Ze hebben maar één fakulteit, zien, noteeren en geheugen-bouwing. Ze slaan wat schilfers uit de reuzenmuren van liet leven.
Hun gansche geest staat strak gespannen om te omvatten de buitenzij van 't menschbestaan. Ze kunnen niet dieper. Fijnere en machtiger impulsiën bezitten ze niet.
Ze vloeken, zweten en zuchten onder 't juk der ,,waarneming", en hun arbeidskracht houdt op te bestaan, waar ook die observatie eindigt.
Ze staan in het van allen kant hen omkolkend en ombruisend leven als kromgebogen schelpvisschers, die zuchten en hijgen onder den rukkenden woel van hun net in de golven. Van al het overvloeiende leven houden ze wat gruis en schelpen, wier en bezinksel. Meer niet.
Ze wankelen en vloeken, en hun zwetende schoften dampen van werkhitte. Hun spieren en pezen staan in krampigen zwel, en bij elke levensaangolving, smakken ze hun net uit, in 't bruisend schuim, en altijd weer ontvliedt ze de kleur en de branding, het felle schuimende leven der baren, beuren ze gruis en kalk, zand en kwallen.
En al dien arbeid alleen bij de bewerking der materie in z'n uitwendigen groei, er. gestalte-verandering !
Zij zijn ook als vrachtdragers die door het groote leven telkens nieuwe waar op den rug gesmakt krijgen. Maar ze zijn blind en doof voor alles wat buiten hun vracht gaat.
Als ze dieper willen gaan, de innerlijke aandriften en passiën van den mensch willen beelden struikelen ze mét hun waar-neemvracht, komen ze niet meer overeind.
Vandaar dat de onmachtigen zich 't liefst bij hun vrachtjes-sjouwen houden.