3«9
leven moireeren, staat óók in mij 't goddelijke besef van uitverkorenheid als kunstenaar, als scheppend arbeider, door het leven zélf op den brandenden mond gekust.
Ik heb hen lief als heel grooten, Shakespeare, Dante, Homerus, Beethoven, Rembrandt. Maar wanneer in mij de schepper opstaat, niet de nog peinzende, zacht van geluk-döörroeste, maar de onbewuste uiter, dan zie ik niets van hen, bevredigt mij niets van hen, van niemand, dan zie ik de dingen, de menschen, 't licht, de kleur, d'atmosfeer, zooals ik ze voel en verwerk.
Dan moet ik met eigen handen het leven kneden en vormen, herscheppen in de hoogere werkelijkheid van mijn tragedische en komische levensaanschouwing.
Het is goddelijk in die sfeer te ademen.
Want ik voel liefste, onverwoestbaar dat ik al de ontroeringen, al de smarten en jubelingen van de gansche menschheid uit dézen tijd, zeggen zal.
Het Leven kwam niet tot me en zei:
— Ga, en zeg je zielssmart en je geluk.
Maar het trok me veel heviger en onstuimiger tot zich en zei aan de kloppende borst :
— Ga en zing uit de ziel der menschheid, bouw haar jubelen smartkathedraal.
II.
Florence, in mij schreit niet de smart van één ziel maar van 'n wereld.
In mij jubelt niet 't geluk van één mensch maar van 't menschdom.
Dat heeft mij voor me zelf verklaart, mijn oppersten drang naar universeele epiek en dramatiek.
O ! dat 't leven zóó groot, zoo allergeweldigst in mij wil werken !
Ik voel me 'r schuchter, klein, zwak tegenover, als ik 't 'n enkelen keer besef in abstrakte nuchterheid. Maar bijna altijd