390
leeft en werkt en schept het in mij, vóór ik dat nuchterheidsbesef, straf voor mij heb gekregen. Mijn sidderingen en verrukkingen, staan al ten volle uitgeleefd in den kring mijner aandoeningen, vóór ik zelf weet wat in me gebeurt.
Ik kan je niet zeggen hoe mij dat verrast, overstelpt en stil maakt Florence.
't Is 'n gevoel alsof 'n zee over je uitgestort wordt, en alsof je later van 'n top, op 't donderend golfgezwalp om je heen staart, en bewust overziet welk oer-geweld en grootsch leven door je heen gegaan was.
Vóór mijn ziekte begreep ik de stem van 't Al-leven, 't universeele niet goed. De drang in mij tot al-omvatting maakte me ongerust en bang, maar nu is akkoord na akkoord van den grooten menschenzang op me aangestormd. Ik hoor de symfonie van 't groote Leven, zooals ik hoor jou stem, jou woorden.
Daarvan zal ik je nog vertellen, 'n ander keer.
Op 'n prachtamfoor, zoo straks bekeken heb ik de teedre lijn van jou leest gezien, 't Is of die Griek je herboren in 't leven terug heeft gestuurd, nü als meisje.
Florence ! Dat toch de herfstsproke hier te kleurlegendeeren begon, ik zou voor goed je gouden haar kunnen zien.