388
Liefste jij zult me begrijpen, jij vooral!
Heb ik mezelf zoo lief, ben ik zóó door waan geslagen dat ik de wereld om mij heen zie wentelen met al d'r schoonheid en haar smart, mij verbeeldende dat zij door mij zoo grootsch herschapen moet worden in een geestelijke schoonheidsfeer ? Juist door mij ?
Liefste, jij bent zelf 't Leven, jij zult begrijpen want naar jou heb ik mijn diepst-innerlijk gericht, naar jou heb ik in onbewusten en bewust en drang geluisterd met altijd bange verwachting.
Heb ik niet zelf zooveel individueele ontroeringen, zooveel smart en ellende, zooveel eerzucht en egoïsme, dat ze mij afhouden van dat universeele sentiment en besef in mij : een wereld te moeten beelden, 't heele leven in al zijn groot-sche uitingen, tragisch, demonisch en episch te moeten omscheppen in kunstuitingen van hoogste geestelijke macht ?
Neen lieve, ik heb me zelf niet zoo lief en ik sta niet geslagen van waan, en ik ben niet met verbijstering ingaand op 't avontuur van groot leven. Maar de psychologie voor 't universeele, de dramatiek voor 't alles-omvattende, de epiek en lyriek zit mij als de scheppingsdrang in 't bloed, want ik lijd er door als niemand, en ik geniet er door als niemand.
't Leven zélf wil het in mij omdat ik een zijner manifesteerende afgezanten ben.
De kunst zélf wil het in mij omdat ik een harer priesters ben. De schoonheid zelf wil het in mij, omdat ik een harer ontroerdste kinderen ben.
Hoe dikwijls Florence, voel ik mij als mensch klein, ellendig,, eerzuchtig, egoïstisch, melankoliek, jolig, spotziek, twijfelzuchtig, en dat alles zonder vooropstelling van 't verachtelijke zondebesef van godsdienaars en dogmatici ?
Maar dieper dan al die menschelijkheidjes, die toch 't hoogere