VIJF-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Florence, nu ik zoover ben dat ik je veel van mijn ziekte en langzaam herstel verteld heb, en eindelijk zelf weer 'n paar uurtjes per dag werk, nu zal ik voldoen aan je innigst verzoek, je te vertellen van mijn natuur, mijn werkwijze, mijn wèrk-zèlf.
De zomer staat nu weer fel in 't land. Alles om me heen in bloei en gloei.
Mijn verlangens bloeien en gloeien mee.
Maar ik zal je nu gauw bij me hebben !
O die zegepraal van weer te werken en jou te bezitten, zal ik er tegen kunnen ? Is 't niet te hevig-heerlijk, te hevig-god-delijk ?
't Wonder-vreemde zal nu gebeuren. Ik zal jou hebben, heelemaal één met je worden. Zal ik je naakte ziel zien, en al je onstuimig geweld, in je klacht en teed're verrukkingen, in je verschrikkingen en je mysteriën ? Of is er geen geheim in 'n vrouwenhart ? Is er alles klaar of troebel, maar gewoon, gewoon, doodgewoon ?
Is er na de eerste bedwelming niet iets dat al hooger in je ziel opklinkt, 'n vreugd, 'n zaligheid die alleen hoort, de groote verliefde, de groote minnaar van het Leven ?
Maar vóór we bijéén zijn, zal ik je spreken van mijn toe-komstwerk en mijn arbeid van nu, zal ik je van mijn natuur nog moeten biechten.
Je begrijpt Florence, wat ik al onderging toen ik voor 't eerst weer mijn roman mocht vervolgen, arbeid waar ik midden in neergesmakt was, waar ik nu bijna 'n jaar niet mee heb geleefd, in dadelijk scheppingskontakt.