3§3
London, in 't prachtig-grandiose, woest-epische Londen óók rustig weten. Jij blonde zuster, jij kent dat vreeselijke niet. 't Leven ként zich zelve niet, en jij jezelf ook niet.
Maar toch, je fluisterstem zei me al lang dat je begreep, dat er nog 'n ander Parijs is, dan 't baddineerende, geestige, artistieke, geleerde en elegante.
Want door al z'n kunstschatten heen, door al z'n schouwburgen, bibliotheken, zijn rijkdom zijn vernuft en wereldsche pracht, zie je in èlken ademstoot verval, als je maar kunt zien.
Maar 't hevigst, 't diepst raak je de vreeselijke kern van dekadentie en ontaarding in dat Parijs, als je 't roode en zwarte en verdoemenis-zware verhaal hoort en ziét van het misdadige, prostitueerende Parijs, met zijn eindeloos wee en allerdiepste tragiek, z'n roof, z'n moord, z'n smart, z'n verwilderde liefde en gansch onmenschelijke menschelijkheid.
Nu wég lieve, heel dat onmetelijk leven, dat mij als dra-matikus en episch werker zooveel ontzettende beroeringen gegeven heeft. Wég !
Ik ben gisterenavond alleen even aan strand geweest !
Ik liep, 'n meter of tien achter 'n meisje en 'n jongen. Zij trapte met haar kleine voetjes fijne vormpjes in 't weeke zand. En telkens liep ik in haar stapjes.
Zij had 'n slank figuurtje. Hij leek 'n slungel. Ik kreeg meelij met z'n smalle schoudertjes. Heb jij dat ook wel Florence, dat je met iemand plots meelij krijgt, om 'n ongelukkige lijn die je ineens opmerkt in z'n schouders, rug, beenen of ergens anders ?
Misschien voelde hij zich zelf 'n pienteren baas, maar ik had toch meelij met z'n slungelige magerte en zwabberende broekspijpen en smalle schoudertjes. Ik zou zóó nooit naast 'n mooi meisje willen loopen. Ik zou me doodongelukkig voelen !
Maar ik liep in haar innige en fijne voetafdrukjes, en de stilte aan zee was boven-menschelijk mooi.