3S2
O ! dat Parijs die ,,walmende kanker" gelijk Balzac 't wil, is zoo huiveringwekkend, zoo melaatsch, zoo bang-grootsch.
Zit er in de smartelijke besmetting van melaatschen geen •wereldtragiek, die tot de hoogste levensontroering kan stijgen, als ze gebeeld wordt door een titanischen voel-vorst, een groot bouwer van leven en schoonheid ?
O Florence, de passie is 'n flambouw, waaraan je je zelf schroeit, maar waarmee je ook het duister om je, goddelijk in gloed zet, zooals geen ander sterveling er zonder, ooit vermag.
Onze mèdemenschen leven léven daar, die melaatschen !
Dat leven heb ik altijd voorvoeld, en toen ik 't zag van nabij, wist ik dat ik goed had doorzien.
De schrik zal je meer dan eens om 't hart slaan, want dat leven is zwart, stikduister, grootsch en hevig, heviger van dramatische diepte dan 'n schepping van Shakespeare of Sophokles.
De tragiek nabij de barrières, de tragiek van de Bagtinnolles, Saint-Ouen, waar ik Verlaine in melancholie en in sarkasme heb gesproken.
Er is geen misdaad daar in die wijken of ze schimt er rond.
Het is daar verworging van 't leven !
In rioolpijpen kruipen prostituées naast d'r gelokten, en de vermolming van achterwijkjes op boulevard St. Germain is reinheid bij wat 't dierlijk geasem daar uitbroeit.
De kroegen, verzonken en half puin, staan in bangste slagschaduw van den moord.
Dan het echte La Villette. Wat 'n buurt, wat 'n huiver van somberte 's winters en 's avonds.
Er spookt op den weg van Longchamps naar Neuilly 'n ding dat niet te zeggen is, als je 'm afzwerft op winternachten. Je hoort kreten in de nachtstad die je nergens hoort, op geen plek ter aarde, in onzen kultuurstaat.
Maar ik zal je 'r niet meer van zeggen.
Ik voel dat ik niet verder mag gaan, wil mijn herinnering me niet opnieuw doen instorten. Ik weet jou rustig in die geweldige nachtstad ! Ik zou je in 't hei-zwarte, groote en mist-omsluierde