371
Zoo is 't met al zijn werk. Dat is het groote geheim en de hoogere bekoring er van.
Zijn humor-tafreeltjes hebben éérst in hem, argeloos en innig den mensch doen schateren, schateren zooals alleen 'n zóó ernstig man dat kan. Z'n drama's hebben zelfgeschrei ontlokt, en in z'n artistieke bezonnenheid, geeft hij later dat wonder van door zijn temperament gezien Parijsch leven van boulevard en achterbuurt.
Steinlen is altijd ontroerd. In hem stolt de ziel niet door kunnen, door technisch virtuoos-zich-weten. Zijn techniek hongert niet naar stof en nog eens stof.
Hij ondergaat 't Leven zelf heel diep, en laat dan uit de diepte van z'n ziel, opzingen of opweenen, wat hem doordroefd, doorsmart of doorjubeld heeft.
Natuurlijk lieve, moet hij ééns tot objektiveering komen. Want toen hij z'n zieleleven uitstortte in 't vreeselijke leed der getrapten, in bloederigen galgenhumor of wreedvlij mende satire der verschoppelingen; in de passie-beelding dier messtekers, sonneurs en worgers, die sluipen, aanvallen, vechten, kerven en kreunen van haat op hun slachtoffer, — toen mocht die hand niet meer al te zeer trillen van aandoening ; toen kwam de groote en geheimzinnige afsluiting van eigen ontroeringsgevoel, kwam de onbewogenheid, die gestalten uithouwen ging, die atmosfeer weefde, licht en schaduw schiep, en alles teruggaf van het geweldige ondergane leven.
't Wonder is nu juist dat we in die met onbewogenheid getrokken lijnen, in het fijne geweef van stemming, en zachte streep-geëts, de smartsiddering van het gebeelde drama, hevig op ons voelen inrillen.
Nu is 't ons voor goed duidelijk, dat de oogen die op zulk uitgebeeld leven staarden, zelf hebben geschreid, dat de ziel die zóó iets kon geven, zelf doorstriemd was van smart en somberen ontroeringsschrik.
Niet waar Florence, Steinlen's ziel is vol opstand, vol getem