370
glazen van het grootste restaurant nabij Madeleine, en koekeloert naar het in schijn onbeduidendste hoekje van de Bastille. Hij zwerft, stil, verdoken in de diepste aandacht van zijn fijnen geest. Maar het klinkt niet in hem de roep : je bent 'n groot teekenaar, zie, observeer, noteer je avonturen.
Hij gaat stil, ontroerd als mensch door de straten en sloppen, plantsoenen en bosch.
De Ernst in hem is zoo groot, zoo geweldig, bijna somber.
Hij geniet van de kleurspelingen over huis en straat, menschen en ruiten, van iederen atmosferischen toon, op boulevard of daarbuiten. Dat genot werkt onbewust in hem door.
Plots ziet hij een der zeer ellendige, vreeselijke drama's, zooals Parijs er honderd op 'n dag heeft.
Een van dierlusten en luizige ellende vervreten kindje, 'n meisje zwerft langs 'm, ziet hij lokken een grijsaard, 'n rampzalige, naar 'n duisteren hoek !
Of hij ontmoet 'n boevenidylle op z'n eenzamen weg. Of groepen feestvierend en door delirium tot dansen en woesten kankan aangevuurd volksleven overstormt hem, dat de rauwe zang z'n ooren omgiert.
Zijn hart staat voor alles open. Allereerst voor de mensche-lijke ontroering. Alles pakt en slaat hem. De woeste en jammerlijke tragiek van 't vervreten meisjeskopje wijkt niet van z'n oogen, die oue kerel niet, de stemming niet, waarin hij de gewaarwording onderging.
O ! Hoe zijn eigen ziel lijdt, vloekt, martelt en weent onder de smart van zijn menschelijk meevoelen.
Dan later komt, in bezonnenheid, dat meisjeshoofdje uit z'n lijnenweefsel groeien als 'n smartvisie. Hij is z'n ontroeringen meester. Nu gaat hij beelden.
En al wat de groote mensch, in zuiveren samengroei met den grooten artist in hem gezien heeft treedt uit de duistere diepte van eigen droefnis naar voren.
Om zijn personen waart atmosfeer, gloeit licht, danst schaduwspel, z'n groepen leven en z'n dramatiek is doorsnikt van 't geschrei zijner ziel.