368
gloed van café-chantantgas in dronkemansdelirium. Ik heb ze gesproken met den walm van theaterlucht nog in de kleeren, door-zwoeld van kokette-odeur ; ik heb ze gezien verduisterd in de vreeselijke tragiek van 't loeren op nachtbuit, in 't roodfelle moordgerucht van den verhitten vecht-souteneur.
VI.
Zoo'n boekje Dans la Rue, ruil ik niet voor 'n heele tentoonstelling pretencieus modern werk van verhevelingen of ,,droo-mers", symbolisten of figuristen, of hoe dat goedje zich noemt.
Zie toch lieve, hoe de smart door dat werk heenstuwt, die uitbeelding van verschoppelingen en ellendigen. Voel hoe Steinlen met de smart, de wanhoop, de verbittering, de driften, en woeste lichtzinnigheid meegeorgied heeft in zijn uitzwervende verbeeldingen en in de werkelijkheid. Hoe hij z'n drift doopt in hun levende aandoeningen en huiveringen. Voel hoe hij hun gebrul, hun gekreun, hun gemor, hun blinde opstanding doorleefd, en hoe hij het binnenste-verbitteringsleven van 't geboefte door laat breken uit een bevend hart, rauw van men-schelijke wee en vernedering.
In iedere lijn breekt ook zijn eigen zieledroefnis door. Hij beluistert den weemoedsklank van de groote levensstem, die hem vertelt, zwaar en geweldig wat daar gebeurt in die duistere wereld van moord, overdaad en ontbering. Hij voelt diep dat die stem hèm roept om dat leven te beelden, hèm met al zijn machtige zelf-ontroeringen.
Zijn schoonheidsgevoel is de samenvloeiing van smart en leedgeschok, van menschelijke aangedaanheid, van drang tot scheppen, tot beelden, wijl zijn gemoed onderloopt van verbittering, leed en ook verrukking om 't vele levensmooi.
Zijn schoonheidsontroering is doormengd van heel z'n diep-diep menschelijk gevoel. En zijn verrukkingen van lijn, licht, afmosfeer, geur van straat en wijk, landschap, gebouwengroei, lucht en beweeg, staan daarmee in zuiverste harmonie.
Nergens betypeert Steinlen op-zich-zelf 't verfoeilijke kijkmooi