358
schen ; zou 't groote grootsch moéten dramatiseeren en kon-ceptioneeren, zooals 't me doorsidderde, doorschokte.
0 ! ik zag wel, dat ik alles heel anders in-me opnam en verwerkte dan anderen, naar wat kon mij dat schelen, Florence ?
Ik keek naar niemand om, luisterde alleen naar m'n zieL
Ik wist, dat het visioenaire en fantasmagorische in mij altijd de plastiek op 'n heel ander plan van uiting zou brengen, dan bij ieder ander.
Maar mijn stijl zou mijn stijl zijn, mijn bloed, mijn zweet, mijn klankziel, mijn verrukkingen, mijn angsten en mijn ver-hevenste aandoeningen, mijn innigste smart en mijn diepst kernleven.
Mijn stijl zou zijn, mijn hevigste en teederste Ik, in beroering gebracht door 't Al-leven. Dat doorvoelde ik diep, en ik maakte me niet meer ongerust om gebreken en dwarse eigenschappen, die in ieder werker zitten, in de grootste scheppers.
Ik zou 't gezwollene en den bombast van Shakespeare, 't hevig-overladene van Wagner niet graag apart willen zetten, naast en dwars door hun uitingen van de goddelijkste schoonheid.
Ik zou niet graag 't onzaglijk-rumoerige van Wagner's kunst 't overstelpend drukke en hevig-onstuimige, apart willen zetten als 'n groot gebrek, want zeker is 't, dat we zonder dat rumoer, ook nooit diè verhevenheid van andere uitingen in zijn scheppingen hadden gekregen. En precies zoo bij Rembrandt, den onmatige, overladene en ontembare; precies Michel-Angelo en Dante en Beethoven en Balzac!
Neen, ik maakte me niet ongerust over mijn gebreken, die er stellig en met veel kracht in zouden spreken. Mij was hèt groote geluk dat ik het scheppingssentiment, de lyriek epiek en dramatiek in mij allerzuiverst voelde, als 'n drang, hevig en echt, als honger en dorst-gewaarwordingen, dat ik met mijn stijl diè schoonheid in al zijn stemmingen en gestalten zou uitbeelden en beheerschen.