355
romantiek, kosmisch en universeel van menschelijkheid, dan Beethoven in z'n Pastorale.
Gelukkig, dat Ludwig in z'n andere scheppingen ons getoond heeft, hoe groot en heerlijk z'n dramatische levensvisie was !
Nu ik zelf weer midden in 't natuurleven sta, voel ik me weer levend deel van de strijdende, zwoegende en worstelende menschheid.
Die landlieden hier zijn goddelijk mooi als wèrkers. Hun gebaar, hun gang, hun zwijgen, hun lijn, hun rhytmiek, hun kracht en hun passie.
Maar alles slaat over tot dierlijkheid door den duur van 't hevige zwoegen.
Ik leef, denk, werk en schep te midden van hun arbeid, terwijl de aarde voor mijn voeten geurt of opengeploegd ligt, terwijl 't land in z'n pracht van gloed en licht z'n vruchtbare akkers laat gloeien in zonnevuur.
O, Florence, de natuur hieromheen is van een uitjuichende mooiheid.
Wat overdadig, wat wild en woest-schoon is 't overal in de natuur, precies als in 't menschenleven, die mij één samenwortelende emotie geven.
Ik voel hier weer de wereldziel, 't wereldleven.
Ik begrijp weer, dat ik jou liefde en jou heerlijkheid 't diepst en zuiverst voel, als ik mijn liefde tot die menschheid, vol kommer en ontzetting, er in mag uitstorten.
Ik moet 't als oppersten drang in al mijn uitingen doen, ook in mijn werk, want ik voel heilig, dat de groote en allerhoogste kunst, de kunst voor alle tijden, alleen uit de diepste voeling van de menschheidziel geboren kan worden.
Niet de smart, de verbittering, 't geschrei en geweeklaag van één enkel mensch, geen persoonlijk wee en droefnis alléén, maar 't wereldleed, de gansche eeuwigheid van 't menschelijke moet uitgehouwen in geweldige en verheven breedheid in het titanisch-dramatische, epische en lyrische te zaam.