354
rond 't land en d'akkers. Mijn armoe, mijn lichaamslijden, mijn strompel en benauwingen, alles verzonk in 't doorzaligen van dien natuurjubel.
Dat in mij, zich toch altijd dat zelfde goddelijke wonder van aandoening, stom geluk en smart openbaart, als ik de jaargetijden doorleef, iederen dag in z'n eigen licht en kleur, schaduwspel en tinten zie ?
Van hun allen pakt me de Lerite 't diepst, al is mij Zomer, Herfst en Winter éven lief.
Maar de stilste ontroeringen van heel blank en heel licht geluk, onderga ik toch in de Lente.
Eens zal ook ik m'n symfonie pastoraal zingen, maar zal 't zijn als de Zesde van Beethoven, met z'n arkadische tooverij van vroolijk geklank en stemme njubel van herderszang ? Zal 't zijn de elegische idylle van landlieden-vredigheid, vol zoete melodie en gekweel van simpele liefde-zielen, in dans en vreugde bijéén ?
Ik geloof 't niet, Florence, want de Pastoraal van mijn Beethoven is de arkadische zang van zijn in-rust teruggetrokken ziel, het goddelijk lied van de zonnige eenzaamheid, maar is niet het landleven en de idylle der boerenmènschen.
Ja, de natuur, de weiden, de akkers, maar als je 't mensch-gezwoeg ziet, voel je, dat in de Symfonie Pastoraal de geweldige dramatiek van het boerenbestaan Beethoven ontgaan is. Want zoo zwaar, als de Negende doorstormd wordt van de hevigste en geweldigste dramatiek, van 't lyrische aandruischend naar 't epische, zoo broos en individueel is de Pastorale, met z'n beekjes-poëzie, z'n oogstgezang en z'n schijn-landelijken vrede.
Zie er Millet naast, en je begrijpt me. 't Doet er niet toe, of Millet schilderde, Beethoven komponeerde. Let alleen op de diepste ziels-ontroeringen van twee Grooten, en zie de devote en machtige dramatiek van den eerste, naast de subjektieve en poëtische lyriek en romantiek van den tweede, als ze beiden schilderen: la vie pastorale.
En toch is Millet naast z'n gewelds-dramatiek, niet minder poëtisch, niet minder elegisch, en veel heviger uitsprekend een