357
Wat 'n groote pracht leeft er toch in die instinktieve en zorgelijke moederteederheid naast d'r plotse, in schijn onverschillige robuustheid soms.
D'r tong likte bedrijvig rond, dat alles rein bleef, en soms raspte ze twee of drie kindertjes, tegelijk schoon en tegen elkaar aan, vaak zoo stroef en krachtig, dat ze de dierkes ganschelijk ömsmakte.
D'r schoonmaaklap begon dan telkens opnieuw bij den kop kwam rasperig terecht op de kleine, bevende puntstaartjes.
Aay genoot, genoot dat heele leventje mee, iederen dag, tot eindelijk de blinde oogjes der jonkies openbraken en flauwe kiekertjes de stomme, wreede foetuskopjes wat verlevendigden.
Wat vreemd, lieve, dat 't monsterlijke éérst komt, en in 'n geheimzinnigen groei alles dan langzaam wordt uitgevouwen, iedere lijn en elke trek méér naar het normale type.
Aay zat nu uren bij 't nest, ook als Bruno weg was en de kleintjes al levendiger en darteier in hun mand dooreen wriemelden, in komische waggelloopjes, onrustig de moeder probeerden te volgen op den grond.
Soms, als Bruno, de borst doorbeten en doorbrand van de vraatzuchtige, gulzige en kluivende mummelbekjes, van pijn niet d'r mand in wou, hoorde Aay met ontzetting en schrik 't geklaag en jankgejammer der rustelooze beestjes, en zag hij, hoe ze eindelijk na blind gehuil, zelf bijeenkropen op 'n kluitje, warmte zoekend onder eikaars eigen kleine lijfjes. Dan werd 't 'n gedrang en gestapel van kopjes op kopjes, buikjes op rugjes, 'n knussige verbroeiing van hun bibberende en hunkerende lichaampjes.
Heel fijn gekreun steeg dan maar öp uit 't zich koesterend jonkieskluitje, tot Bruno, onrustig om de mand zwervend, als ontroerd en verteederd door het zacht gejank, eindelijk weer instapte, 't bendetje plots in woesten wriemel loswoelde, en allen weer met gretige gulziging 't moederlijf bestormden.
Dan had Aay pret voor tien.