354
zoo droef, kunnen, als ze speelt en schertst, lachen en vonken en flikkeren van geestigheid.
Eerst dacht ik dat Bruno alleen melancholiek was. Nü ondervind ik, hoe dol-dartel en kinderzot 't dier soms is. Zij kan dwaas-komiek springen als 'n woest veulen en dartel zijn als 'n geïnspireerde klown. Het is prachtig te zien, wat moeite zij doet om te behagen met grollen en streken. Maar meestal toch is Bruno ernstig en peinzend.
Dan zijn d'r goud-fosforiscbe wonderoogen eindeloos diep, en vol van menschelijk wee.
Was ik 'n Bramaan, ik zou gelooven, dat een Buddha in dit dier te peinzen kwam, 'n denker in ieder geval van hoogsten rang, 'n inkarnatie van 'n smartelijke ziel, want de droeve bewustheid van d'r oogen is werkelijk overweldigend.
Florence, je moet Aay met Bruno zien.
Dat zijn twee wezens, die heelemaal bij elkaar hooren.
Aay de fantast, sprekend tot, en spelend met mijn hond.
Hij vertelt Bruno allerlei verhalen en wonderdingen, en Bruno ligt dan doodstil te luisteren, d'r prachtlange en breede ooren soms éven optrekkend, alsof zij 'n bedenkinkje tegen den verhaalgang wilde maken, maar bijtijds zich bezint. D'r oogen droomen en soms knijpt zij ze even dicht, alsof ze zeggen wil: ,,ga maar door : begrepen !"
Aay gaat precies met Bruno om als met mij ,of z'n moeder of 'n ander mensch, van wien hij houdt.
Bruno voelt zich in zijn gezelschap nooit heelemaal rustig. Ze blijft wel liggen, maar kijkt toch, alsof zij vernederd wordt.
Aay bezielt haar langzamerhand, let niet op haar droefheid en melankolie. Soms, midden in hun samenzijn, als Aay vóór of naast d'r ligt op 't gras, tegen Bruno's kop aan, met z'n goudkrullen, en verhaalt wat hij al in de lucht ziet, dan plots heft Bruno, loom en goedig, d'r grooten, harigen poot op, zoekend naar de hand van 't mannetje. Komt er dan niets, of ziet Aay dien poot niet, dan legt ze 'm dwars en plomp over 't kereltje's gezicht. Dan schrikt 't ventje en springt óp.