347
In jaren had ik geen hond bezeten, 't Was me alles eerst zoo druk geweest, zoo vreemd. Maar nu wende ik weer aan 't dier, kon ik er bijna niet meer zonder.
Zij was altijd bij me. We lachten en peinsden, met en naast elkaar.
Nooit leerde ik Bruno 'n kunstje, wijl ik die haat, en ze mocht zoo ongehoorzaam zijn als ze wou. Dressuur hield ik er niet op na, want ik vond 't heerlijk in mijn hond, dat ze d'r eigen zin deed.
Duiven en vooral kippen had ik ook wel willen hebben, 'n Kippen wereldje vind ik prachtig, 't Zijn heerlijk-trotsche, pedante en hooghartige diertjes, en alles is er mooi aan.
Hun gekraai dat ik, heel in de vroegte, mystisch-zangerig vind, op me inklankend met wonderlijke ontroering, hun zonnig gekukkel, hun pracht-vormen en trotsche fijnheid, hun veeren en hun kleurengloed, alles heeft eigen innigheid en fraais.
Als 't geen burgermans-verkneutering en versche-eiertj es-verzorgend egoïsme is, dan kun je dat drukke en parmantige kakel-wereldje met groot genot in al hun tragiek en komische onbewustheid bestudeeren. Vooral in den zomer. Er zijn dol-grappige geschiedenisjes van zoo'n kippenbendetje te vertellen.
Eergisteren zag ik hier nog, tusschen twee boerenwoningen, 'n ontzaglijke kippenloop met wel honderd glanzend-zwarte kippetjes, schitterend zwart, als van satijn omglansd, en de vurige kammetjes trillend op den trotsclien kop. Ik vergeet 't nooit meer, alle honderd in 't satijn; 't licht over die veeren, en de kakeldrukte van die roodgekuifde kolonie !
Vindt je niet, Florence, dat vooral ook daarom 't komieke zoo typisch uitkomt in de dierenwereld, wijl de beesten geen lachspieren hebben en ze alles zoo ontzaggelijk-nuchter, langs den neus weg doen ? Dat geeft zoo'n rake leukheid, zonder lach, en verklarings-gebaar. Om den humor van de beesten te begrijpen, moet je ook heel scherp en gevoelig waarnemen, want hun scherts is veel minder zichtbaar dan hun smart.
Bruno had voor mij geest en tragiek. D'r oogen, meestal