345
prikt en geprepareerd deftig uitgevlerkt pronkten met hun verdofte kleurenpracht.
Voor mij zit er 'n kerkhof-misère in die geprepareerde fraaiigheid al begrijp ik 't nut voor wetenschappelijke studie er van.
Ik voel er 'n doode en verstroefde schoonheid in, pijnlijk en naar. Toch loeren de verzamelaars op de lévende kapellen, om ze dóód te bewonderen ; zien ze veel liever onder de glazen zerk, dan in 'n bosch kleurgloeien tusschen het groen.
Maar zie 't zilverglanzende, 't goud en 't rood, 't blauw, van 'n levende en 'n doode kapel, en je zult m'n rilling voor zoo'n kerkhof begrijpen.
Er zit ontaarding en hatelijke, kleine passie in die verzame-lings- en onderzoekingszucht.
Precies dat zelfde cerebraal-kille en hartstochtelijk kleine voel ik in de meeste kunsthistorici. Daarom is hun taal dood, muffen hun zinnen, voost hun inzicht.
Dat onderging ik bij 't zien van m'n primitieven-reprodukties.
Toch kon ik ook, schoon ik me herstellen voelde, diè niet al te lang bezien. Want ze ontroerden me zóó, dat ik me weer machteloos voelde worden, als bij 'n nieuwe instorting.
Ik had veel moeite om me weer uit die wereld van vrome verrukking en middeleeuwsch visioen op te werken. Toch ging 't gauwer uit me, dan ik dacht, wijl ik zelfs één keer, even, heel alleen 'n endje den weg opgeloopen was vóór ons huisje, dat feitje me stomme verrassing gaf.
II.
Op 'n dag verraste mijn broer me.
Hij had me al zooveel hooren vragen naar 'n hond. Hij wist, dat ik 'r razend mee was. Plots bracht hij er een mee.
Vóór m'n bed stapte 't dier aan, Bruno, kastanje-bruin met 'n pracht-innigen kop. Ze was niet al te groot, maar 't dier had oögen, allermenschelijkst en verrukkelijk, heel