344
van de ziel, laat hij dan hameren met de marmeren logika van zijn verstand.
Als hij ons de tijdperken van kunst en de scheppers maar laat zien in het prismatisch kleurlicht van zijn grooten en diepen denk-geest, en in pracht-verrassende psychologie.
Dan zijn ze te lezen, de kunsthistorici, als Bode en Taine b.v.
Maar de meesten missen de eenvoudigste bewogenheid, zijn pedant als pauwen, duldeloos-taai en voos als 'n burgerlijk-standsregister van bevallen vrouwen en overleden zuigelingen.
Ze hebben de lucht van 'n kerkhof bij zich. Maar vooral zijn ze behept met de manniake passie der verzamelaars.
Ze staan niet meer in schroom en angst en bevend ontzag tegenover de schoonheid, maar ze betasten die met stoffige vingers, zooals 'n antiquair-koopman de mooiste voorwerpen met heete oogen taxeert, prijzig bedingt, besjachert ; zooals hij zoekt naar jaartal, kenmerken en uitwendige, ver van de innerlijke schoonheid verwijderde karakteristiek.
Zie kind.. . hier staart 'n groot voeler naar 'n groot kunstwerk.
Op z'n hand slankt 'n witte vogel, schitterend en blank,.... de ontroering !
Maar zie de bril-professoren staren naar de schoonheid. Zij kennen geen bewogenheid meer. Ze ondergaan niets dan de passie van den snuffelenden, schacherenden antiquair, mannia-kaal en muf, op 'n ander gebied van gewaarworden natuurlijk.
Ik heb natuuronderzoekers gekend en verzamelaars, die liever doöde dan lévende vlinders bekeken.
Dat is teekenend ! Dat is ook verschrikkelijk en afschuwelijk, om te huilen.
Wat is er goddelijker dan de levende cier van wèg-wiekende, in honinggeur bedwelmde meivlinders, dronken uitzeilend in 't zonlicht ?
En toch, die natuurzoekers hadden liever 'n glazen zerk en 'n bekamferde doos, waar de gloed-dronkene kapelletjes opge-