343
cerebrale geleerdheidsmuseum van zielen-op-sterk-water. Ik voelde in hun zinnen allereerst 't muffe, boekig-kille en on-innige. Ik voel allereerst hun derde of vierde-rangs verstandelijk gedrein, de voosheid van hun kunstfilosofie.
Ze zijn duf, inferieur, koud, cerebraal, methodisch-stroef en akelig geleerd.
Ja, ja, ik weet wel kind, en ik doorvoel de groote belangrijkheid van 't bestudeeren dier tijdperken, van 't vergelijkingsstelsel, het speuren, nazoeken, tasten en deduktief konkludeeren. Maar als dat intellektualisme dan maar doorvlamd wordt van groote bewogenheid in aandoeningen. Als de teederheid en de verrukking, de liefde en de geloofsextase er maar echt en fel door heen slaan, als spontane, maar toch geweldige zielsuitingen.
Ik weet de deugd der methodiek, de hechte voortreffelijkheid van de tijdperken-studie en de psychologie, de hoogere der aesthetiek. O ! er gloeit een heerlijk genot in de analyse, de vergelijking, 't volgen van groei en ontwikkeling van tijdperken en personen. Maar als die geestelijke arbeid dan ook gedaan wordt door een eerste-rangs-intellekt, door een geweldig deduktief verstand, muurvast en hevig-hecht objektief. Als er dan maar een allerfijnst speurder optreedt, die, — zoo hij mist de groote zelf-bewogenheid en de diepe ontroeringen, waarmee hij dadelijk ons de Schoonheid in 't wondere gezicht kan laten staren — beschikt over het prachtige, doordringende vernuft, met al z'n subtiele gradaties en fijne wendingen; daarmee gedachten bouwt van geesteszwier, en diepte toch.
Geen frasen-liverei met valsche kasuifelglanzen.
Geen gedachten-proza, bont als 'n voorbijrammelende reklamekar, waarin van ieder wat gestolen is aan kleur en licht.
Als er dan maar een filosofische schouwer uit spreekt die in één gloeiende verrukking leeft over z'n verstandelijken gang door de kunsttijdperken, en als hij maar bladzij na bladzij laat öpschitteren van fijne deduktiën, rag-intelligente gevolgtrekkingen en subtiele ideeën. Als hij mist de impulsieve logika