342
Er is 'n albaste blankheid en licht in die menschen, en de kerkwierook, om het benevelde kunstenaarsbrein verwol-kend, is er omschapen tot allegorie van aanbiddelijke geloofs-pracht.
Maar ik kan bijna nooit lezen, wat er om die reproducties heen geschreven staat.
Ik wil geen syllabe verklaring of toelichting.
Ik wil die werken in de diepste stilte van mijn eigen visioenaire verrukking en ontroering bezien. Ik haat meestal hevig, al wat er om uitgestald wordt aan kunsthistorische fraaiigheid, kennis en vergelijkende gevoels-statistieken.
Er is mij bijna alles antipathiek in die cerebrale afgemetenheid en jaartallen-sentimenten. Het vertempert mij de zachte vroomheid van den nonnestap, ik hoor niet meer 't reëele leven in hun ziel versuizelen tot 'n visioenairen mijmer.
Ik haat ook daarom zoo 't gepraat over religieusiteit der primitieven wijl die religie in werkelijkheid met geen levensinnige schokken gevoeld wordt door die moderne kunsthistorici.
Ik vind 't duldeloos over de teed're bidhandjes te hooren spreken door menschen, die in 't leven bewijzen, elk echt en groot gevoel, hoog idealisme en teerheid te missen. Ik haat de bewonderaars van 't religieuze sentiment in die primitieven, wijl in hen meestal dat goddelijk sentiment voor het mystiek verhevene dood is, of liever nooit geleefd heeft, duidelijk te zien aan hun staan tegenover de getrapten en geslagenen, tegenover de ideaallooze maatschappij van nü. Ik haat ze ook, die bewonderaars der primitieve vroomheid, wijl hun aandoeningen meestal kunsttrukige opschroeverijen zijn of uitvloeisel van verziekt individualisme en in den grond allergrofst egoisme. En omdat ik lang niet alles echt en zuiver vind in de primitieven, is mij de bewonderings-extase der modernen verwelkt en immoreel.
Daarmee zal in verband staan, Florence, waarom ik zoo'n afschuw heb van de meeste kunstthistorici, dat zwaarwichtige,