335
In die uren juist hoorde ik, hoe èrg 't nog met mij gesteld stond. Maar 't deed me niets. Ik maakte gebruik van Zus' afwezigheid om hèm alles te zeggen, wat ik op 't hart had. Ik wist, dat ik 'n boel zei, waarin ik hem niet kon raken, omdat hij zich niet liet besuggereeren, en in z'n diepste gedachten voor-zich zelf niet geloofde aan herstel.
En 't gelukte me, lieve, 't gelukte me, z'n verdofte oogen weer te laten lichten.
Ik gaf me, gaf me heelemaal. Ik voelde 't als 'n heerlijke teruggave van al de dingen, die hij voor mij gedaan had. Ik wou 'm zien opleven, want de onttakeling van zijn geest was van hevige tragiek. Hij luisterde gretig, z'n zwijgen was geen wrok meer.
Toen ik uitgesproken had en niet meer kon, stortte ik buiten adem achterover.
Ik hoorde hem vloeken van ontsteltenis, dat hij me zóó had laten gaan, en toch was er geen opwinding, alleen uitputting.
Door zus, die inkwam toen ik al 'n paar minuten uitgesproken had, werd ik met behulp van hem, in bed gedragen, waar ik den ganschen dag, stom, voor dood, in één felle benauwing bleef liggen.
Eerst twee dagen er na spartelde ik wat bij. Maar de rugzwakte en 't gebroken ribbengevoel was veel, heel veel verergerd met hevige hoofdpijnen.
's Middags kwam hij aanzetten.
Hij had twee nachten achtereen vrij goed geslapen en voelde zich weer monter. Z'n oogen keken klaar en guitig en z'n stem was doortrild van zachte opgewektheid.
Ik schreide stil van genoegen.
We keken elkaar aan. Hij wou zich verwijten doen over z'n egoïsme, dat hij me zoo had laten doorspreken, maar ik wees 'm heel streng, dat ie afbreken zou.
We spraken zacht over enkele dingen, m'n pols in z'n hand.
Ik zat, doorvlijmd van lendepijn, en ik .snakte weer naar m'n bed.
Nu was 't weer de dokter, die den patiënt hielp, menschelijk en oprecht.